Standaardtijden werden pas echt belangrijk in de tweede helft van de 20 ste eeuw. Door de opkomst van de massaproductie kwam de verkoopprijs van een product steeds meer onder druk te staan. De arbeidskost die een dominanter deel van de productiekosten ging uitmaken werd een belangrijke bespeelbare factor voor een bedrijf om te overleven.
In het begin gebruikte men de klok om productietijden te bepalen maar omdat arbeiders verschillend presteren kwam snel de noodzaak om een arbeidstijd op te stellen die universeel is en acceptabel is voor elke valide werker en dit ongeacht het geslacht of de performantiecapaciteiten van de operator.
Een uniforme arbeidstijd die haalbaar en uitvoerbaar is door iedere arbeider noemen we vandaag de standaardtijd of de nodige minimumtijd, ook soms de normaaltijd of normtijd genaamd.
Initieel bepaalde men deze tijden door een correctie in min of plus toe te passen op de geklokte uitvoeringstijd die afhankelijk is van het gepresteerde werkritme. Dit werkritme noemen we het TEMPO van de operator en is een te bepalen factor in het meten van de standaardtijd met klokstudie.
In de jaren 50 startte de technologische race om steeds sneller arbeidstijden te bepalen op basis van de studie van menselijke bewegingen. Men wilde de subjectiviteit van tempo-evaluatie elimineren omdat dit vaak tot hoge discussies leidde. Deze nieuwe systemen noemde men: "Tijdstudie met voorafbepaalde tijden". Hierbij krijgen alle mogelijke menselijke bewegingen een voorafbepaalde tijd toegekend aan een vastgesteld ritme of het tempo 100.